Woord van de week – 15 maart

Lezen: Lucas 13:1-9

Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen.”

Lucas 13:8-9

Vaak denken we dat het in de Bijbel over God gaat. Maar veel vaker gaat het in de Bijbel eigenlijk over ons. Over jou en over mij. Hoe wij in elkaar zitten; waar we groot in zijn en waar we klein zijn. Via ons, via jou en mij gaat het dan ook weer over God, over wanneer wij een visitekaartje zijn van God of wanneer we God tegenwerken.

Dit verhaal vertelt in eerste instantie iets over jou en mij. Ben je iemand die net als Mozes maar met moeite enthousiast wordt? Dan staat de wereld in brand, maar jij wordt er niet warm of koud van. Dan is God vuur en vlam, maar jij blijft je maar afvragen: wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan? Ben je iemand die er gauw het bijltje bij neergooit? Hak die vijgenboom maar om; hij brengt toch geen vruchten voort. Toegegeven, vaak wordt je geduld wel heel lang op de proef gesteld. Dan kun je hoog of laag springen, maar de situatie blijft alsmaar doormodderen. Dan heb je weer even zicht op herstel, maar dan komt alweer de volgende tegenvaller en moet je weer inleveren. Je hebt het al zo vaak geprobeerd, je hebt net als bij de vijgenboom omgespit en mest gegeven, je bent er moe van geworden; laat maar zitten, hak die boom maar om. Of ben je iemand die net als Mozes zegt: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga’, stel dat ik me laat aansteken door jouw enthousiasme — en als christen zou je kunnen zeggen: Stel dat ik met de genade meewerk — ga je dan ook mee? Kan ik er dan op vertrouwen dat je het dan ook waarmaakt als je belooft: ‘Ik zal er zijn’? En ga je er uiteindelijk dan ook voor, op hoop van zegen? Ben je iemand die net als de wijngaardenier zegt: ‘Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven’? Ben je iemand die dan toch weer flink gaat spitten, en die blijft dromen van overheerlijke vruchten?

Misschien lukt het je om ook bij de zoveelste tegenslag toch nog weer het goede te zien? Misschien zeg je: Ik moet nu weliswaar door een moeilijke periode, maar ik word er wel een beter mens van. Misschien vind je het uitzichtloos en ondragelijk zwaar, maar zie je opeens toch mensen die met jou meegaan, of blijk je opeens toch kracht te krijgen die je nooit verwacht zou hebben.

Het verhaal gaat over ons, het gaat over jou en mij. En het gaat over ons vertrouwen. Vertrouwen in jezelf: ‘Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan’, of ‘Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven.’ Vertrouwen ook in de ander: ‘Stel dat ik wel ga’, kan ik dan op jou rekenen? En het vertrouwen in de wijngaardenier: als hij het nog een keer wil proberen, wie weet lukt het uiteindelijk wel. En het gaat om vertrouwen in God. — Ik noem dat met enige aarzeling, want het is een beetje een dooddoener. Het wordt namelijk vaak als excuus gebruikt om zelf maar niets hoeven te doen. — Maar in het verhaal is het vertrouwen in God letterlijk een werkwoord. Je moet flink met de genade mee werken. Mozes begeeft zich uiteindelijk in het hol van de leeuw en er wacht hem een tocht van veertig jaar door de woestijn. En de wijngaardenier moet flink aan de slag, de grond diep omspitten, mest en water geven. En dat moet hij ook nog eens volhouden tegen iedereen in die maar roept: Hak hem toch om, ’t is toch allemaal vergeefse moeite.

Het verhaal gaat ook een beetje over ons, apostolische christenen. Zeggen we: ‘Hak die boom maar om; hij put alleen maar de grond uit’. Laten we onszelf maar niet verder uitputten. Hak hem maar om. Of zetten we er toch nog een keer de schouders onder, gaan we nog een keer spitten en mest geven. Gaan we op de oude voet door, net als Mozes die ‘gewoon was de schapen en geiten te weiden’. Of laten we ons aansteken door het vuur en gaan we op weg, ook al moeten we op die weg langs een farao die net zo oppermachtig en bedreigend is als de ontkerkelijking in onze tijd? Gaan we toch op weg, ook al kunnen we het beloofde land nog lang niet zien en wacht ons eerst maar de woestijn?

Ook hier gaat het om vertrouwen. Vertrouwen in jezelf: dat je het vertrouwen hebt om van ‘wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan’ te veranderen in ‘laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven’. Vertrouwen in de ander, dat we elkaar niet in de steek laten als we langs enge farao’s en door de woestijn moeten. Vertrouwen ook in de ander die als maar blijft dromen van het beloofde land en van nieuwe vruchten. Vertrouwen in God, dat Hij meegaat, ook al leiden de nieuwe wegen eerst door de woestijn, en vertrouwen in God dat hij ons niet vergeefs laat spitten en mest geven.

Misschien is wat Mozes doet zo gek nog niet. Hij zegt tegen God: Stel dat ik wel naar de farao ga. Stel dat ik zoveel vertrouwen kan opbrengen in mezelf, in de andere Israëlieten, in U…? En God antwoordt ‘Ik zal er zijn.’

Naar een verhaal van Ekkehard Muth, pastor van het Augustijns Centrum de Boskapel