Woord van de week – 21 juni

Of het één, of het ander, wij hebben de keus

Matteüs 11:25-30

25In die tijd zei Jezus ook: ‘Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. 26Ja, Vader, zo hebt U het gewild. 27Alles is Mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.28Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven. 29Neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, 30want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

Kerngedachte: Het juk van Jezus is zachtmoedig en zijn last is licht. Als we niet voor het “juk van Jezus” kiezen, zal de “wereld” ons onvermijdelijk onderwerpen en is de last van de wereld niet licht.

De Bijbelgedeelten voor deze zondag bevatten drie op zichzelf staande delen (Matteüs 11:25-26, 27, 28-30), die elk op zich al als basis voor een preek kunnen dienen. Het zal daarom belangrijk zijn om de preek niet te overladen in de stijl van een “overvol verhaal” en eventueel te verzanden in de vertelling, zodat de beoogde kerngedachte niet duidelijk wordt voor de luisteraar of niet wordt onthouden.

Alle drie uitspraken van de Bijbelgedeelten zijn geschikt te dienen als kern van de preek. De volgende uiteenzettingen zetten Matteüs 11:28-30 centraal en stellen 4 vragen . . .:
1. tot wie richt Jezus zich?
2. waarom zijn “jullie” vermoeid en gaan zij onder lasten gebukt?
3. wat heeft Jezus te bieden?
4. waarom kunnen we onszelf niet alleen helpen?
. . . om dan het antwoord van Jezus op de uitdaging van ons leven te geven: “Want mijn juk is zachtmoedig en mijn last is licht.” Uiteindelijk zal de luisteraar (kunnen) beslissen of hij voor Jezus kiest of voor een leven zonder Hem. Het is of dit, of dat, een dit en dat is er niet.

1. tot wie richt Jezus zich?
“Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan” suggereert dat “vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan” als het ware de voorwaarde zou zijn om door Jezus uitgenodigd te worden. Dat is niet verkeerd, maar schiet tekort. Ik heb de verklaring van Jezus zo gelezen dat hij “iedereen” uitnodigt, omdat we allemaal vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan. Onder lasten gebukt gaan is dus niet een voorwaarde van de uitnodiging, maar beschrijft de staat van “jullie” en wordt zo de reden voor de uitnodiging.

2. waarom zijn “jullie” vermoeid en gaan onder lasten gebukt?
We zijn allemaal vermoeid en gaan onder lasten gebukt, simpelweg omdat we mensen zijn en in de tijd van deze wereld leven. Voorbeelden uit ons eigen leven of algemeen bekende levenservaringen zijn zeker te vinden om dit te illustreren.
Sinds de mens de Hof van Eden moest verlaten, heeft de wereld zijn last, zijn juk, op hem gelegd (vergelijk Genesis 3:16-19). Wie denkt, dat het hem in de wereld goed gaat en dat hij geen last te dragen heeft, houdt zichzelf voor de gek en bezwijkt voor het bedrog van de “slang”. Zelfs als het lichaam goed is, lijdt de ziel eronder, omdat zij door de zonde van God is gescheiden en voelt dat bij elke nieuwe zonde de scheiding groter wordt. Dit is wat de mens in de maatschappij van vandaag (zoals ook in het verleden) zich vaak niet bewust is, omdat de mens het toelaat dat het vergankelijke lichaam heerst over de onsterfelijke ziel.
Misschien hebben ze het gevoel dat er diep van binnen iets mis is, dat ze rusteloos zijn, maar ze weten niet waarom. Met ziende ogen zien ze niet, met horende oren horen ze niet en hoewel ze gezonde benen en voeten hebben, bewegen ze niet. Ze komen niet van onaangename eigenschappen af, ze kleven aan hen vast als zweren en terwijl ze voortdurend proberen materiële goederen te verzamelen of nieuwe kennis op te doen, merken ze niet hoe ze geestelijk verarmd zijn. Het gevaar bestaat, dat ze goed leven, maar al dood zijn. De toegang tot het leven (figuurlijk in het scheppingsverhaal de levensboom) is voor de mensen met het afsluiten van de Hof van Eden door God niet meer mogelijk vanuit hun eigen kracht. Op dit punt moet ervoor worden gezorgd dat de opgestoken wijsvinger niet naar de anderen wijst; ieder van ons is als mens in deze loop van de tijd geboren.

3. wat heeft Jezus te bieden?
Het antwoord op deze vraag wordt door Jezus zelf gegeven. Het wordt aanbevolen om het hele hoofdstuk 11 te lezen. Toen Johannes de Doper vroeg of Jezus werkelijk de verwachte Messias, de Verlosser, was, gaf Jezus een getuigenis van zichzelf: “blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, de doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.” (Matteüs 11:5) In Jezus wordt de belofte van God vervuld, dat de Verlosser de onvermijdelijke loop van de wereld, naar de dood toe, zal doorbreken en de ziel nieuw leven zal geven. (De wonderbaarlijke genezingen van lichamelijke zwakheden door Jezus zijn in deze context zeker ook overdraagbaar op de genezing van de ziel).
Ook hierbij zijn zeker veel voorbeelden te geven van wat het betekent om te zien, te horen, te doen, schatten te verzamelen die eeuwig blijven bestaan, …

4. waarom kunnen we onszelf niet alleen helpen?
De mens heeft de mogelijkheid met zijn zintuigen en zijn geest de dingen in deze wereld te onderzoeken en te doorgronden. Dit is een goede zaak en het is zeker wat God wil, want we hebben een geest gekregen en God heeft ons mensen zelf de taak gegeven deze wereld te doorgronden (Genesis 1:28-31). Helaas kent de mens (door zich af te scheiden van God) geen maat in zijn handelen en de benutting van zijn mogelijkheden. Er wordt steeds meer gedaan, de doelen van de mensheid worden steeds groter, terwijl tegelijkertijd de effecten van de daden (die de wereld generaties lang kunnen veranderen) steeds minder worden onderkend. Ook hier zou er aan voorbeelden geen gebrek moeten zijn. Hier neemt de mens steeds verder afstand van zijn Schepper – hij wordt zelf de schepper, zijn eigen god. Deze ontwikkeling is niet nieuw (de tijd van Noach, de bouw van de Toren van Babel, …) en God heeft in het getuigenis van de Bijbel al verklaard, dat Hij daarom een grens zal stellen aan de mens, de dood. Geen enkele mens kan deze grens overschrijden. God zelf heeft daar de weg daarheen, naar de Hof van Eden, waar de boom des levens staat, afgesloten (Genesis 3:24).
Hier komen we bij Matteüs 11:25-26: Jezus dankt God, dat Hij voor de mensen, die er alleen op wachten de weg naar het leven zelf te vinden, de waarheid van deze weg heeft afgesloten – maar deze weg wil openbaren aan allen die kinderlijk vertrouwen hebben in hun God en hun Vader. In Matteüs 11:27 onthult Jezus dan hoe dit zal gebeuren. Hij alleen heeft van de Vader het gezag gekregen om ons mensen te redden van onze blindheid. Hij alleen kan onze ogen openen, zodat we de Vader kunnen zien en deze weg naar het leven, die in Jezus Christus zelf is (Johannes 14:6).

Nu weten we wat Jezus te bieden heeft, wat Hij bedoelt als Hij ons belooft, dat Hij ons wil vernieuwen en dat onze zielen rust moeten vinden. De vraag blijft wat Hij bedoelt als Hij het heeft over “mijn juk”, “mijn last”. Zoals bijna altijd is Jezus bezorgd over onze ziel. De last van de ziel in onze tijd (de vergankelijke wereld) is dat het lichaam (het leven in de wereld zonder God) over haar wil heersen, haar wil onderwerpen. Het is hier of dit of dat. Of we laten toe, dat de altijd belangrijke en onvermijdelijke uitdagingen en gebeurtenissen in het leven ons denken, doen en handelen en onze wil bepalen, of we vragen ons af wat God wil zeggen, stoppen en pauzeren, gaan in gebed, onderzoeken onze ziel, geven onze wil over aan Jezus en beslissen dan. Misschien is het resultaat van ons handelen wel hetzelfde, maar zowel de motivatie, de oorsprong van ons denken, doen en handelen als onze wil is anders. Jezus zegt hierover, dat niemand twee heren kan dienen (Matteüs 6:24). Daarom moeten we zijn juk op ons nemen, onze ziel aan zijn wil overgeven, want als we dat niet doen, zal de wereld haar juk op onze ziel leggen.
Of het één, of het ander, een dit én dat is er niet.
U. Hykes